ONBEKEND MAAKT BEMIND
Er zijn in Nederland verscheidene kleine ensembles die zich op Griekse muziek hebben toegelegd. Er is er één – Palio-Paréa – dat nog een stap verder is gegaan: het speelt en zingt eigen composities in Griekse stijl, op Griekse dichtregels maar ook op nieuwe teksten die op hun beurt weer iets vertolken van de Griekse denkwereld.
Een gewaagde stap, omdat ongetwijfeld zowel uit Nederland als uit Griekse hoek vragen zullen komen als: wie denken jullie dat je bent? Men zal misschien spreken van overmoed, hoogmoed of hovaardij, het woord dat nog het dichtst bij het aloude Griekse hybris komt. De groep zal antwoorden dat ze zich allengs zó in de Griekse tonaliteit en ritmes thuis is gaan voelen dat de stap als het ware vanzelfsprekend werd. Kleren die je lekker zitten houd je aan.
Wat mijzelf betreft, ik zie in ieder geval één groot praktisch voordeel. Bijna altijd als Nederlanders, ook talentvolle, bekende Griekse nummers ten gehore brengen, heb ik naast bewondering toch het gevoel dat het niet hoeft. Ik heb toch vaak een beetje moeite het te accepteren, hetzij vanwege de uitspraak, hetzij door een afwijking van de reeds geliefde en “klassieke” Griekse uitvoering. Welnu, dit bezwaar valt geheel weg als zowel compositie als uitvoering nieuw is.
De groep heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt voor een Grieks gehoor.Met de teksten heeft Palio-Paréa zo- |
hoog gegrepen als het maar kon. Naast drie liederen op weemoedige regels (zeer “Grieks” ingevoeld) van de Nederlandse Susan Ligthart heeft men drie gedichten van de Alexandrijn Kavafis op muziek gezet, voor hoofdschuddende kenners in Griekenland een gewaagde zet.
Weliswaar hebben de meeste Griekse liedcomponisten zich wel één of twee keer aan de grote man gewaagd (Theodorakis overigens in het geheel niet) maar op “Dagen van 1903” van Chatzidakis na is er geen bekend gebleven. De Nederlandse groep (componisten M. Tans en L. Schrievers) heeft de gekozen verzen meteen in de meest typerende Griekse maatsoorten gezet: de chasápiko, in tweekwart, de zeïmbèkiko, een éénmansdans in negen-achtste, en de kalamatianós, een groepsdans in zeven-achtste.
De eerste twee zijn afkomstig uit de rebètika, de “liederen van de zelfkant”, stadsliederen uit de periode 1900-1960 waarop de groep stuitte bij haar zoeken naar muziek met de sfeer van “blues”. Griekse, maar ook Nederlandse kenners vragen wellicht of dit nu wel kán, maar we mogen niet vergeten dat de grote Theodorakis in 1959 al iets dergelijks heeft gedaan met de poëzie van Ritsos, tot veler opschudding.
Van mij mag “De kaarsen” regelrecht bij de Griekse top tien, en er mag ook bij worden gedanst – liefst door een persoon van de leeftijd die Kavafis aangeeft.
Frans van Hasselt, Athene, augustus 2000 |