Rembétika
Rembétika waren Griekse zelfkantliederen uit de eerste helft van de 20 e eeuw. Ze behoorden tot de oosterse muzikale traditie. Als maatschappelijk-cultureel verschijnsel worden ze vergeleken met de Amerikaanse blues (vandaar dat men ze ook wel de Griekse blues noemt), flamenco, tango, fado, e.d. Een tijd leek het alsof de rembétika in de muzikale marge zouden verdwijnen, waarna omstreeks 1970 een ware revival op gang kwam. Inmiddels is het genre een vaste waarde in de Griekse muziekcultuur, levendig gehouden door vertolkers van de traditionele rembétika en componisten die in deze traditie nieuwe liederen voortbrengen.
Oorsprong
De oorspronkelijke rembétika hoorde men in de havensteden van de Griekse gemeenschappen en in Athene omstreeks 1900. Er werd voornamelijk gespeeld in tekés (cafés waar ook hasjiesj gerookt werden, ook in die tijd verboden) en gevangenis. De liedjes werden door de tekés-houder of door aanwezige muzikanten gezongen en gespeeld, in de kring (paréa), op nauwelijks professionele basis: soms een enkel couplet, of een willekeurige reeks van coupletten, waarbij de herhaling van regels als refrein functioneerde. Componisten en tekstschrijvers waren doorgaans onbekend: men noemt ze adhéspota , ‘baasloze'liedjes (of ‘zwerfliedjes', de zog. traditionals). De instrumenten waren gitaar, bouzoúki en baglamás. De baglamás is qua vorm een heel kleine bouzoúki en men verklaart de populariteit van het instrument uit het feit dat het makkelijk onder een jas te verbergen was. Vanwege het milieu waarin de muziek zich afspeelde, was men bij de autoriteiten bij voorbaat al verdacht wanneer men met een bouzoúki of baglamás over straat liep.
Smyrna-stijl
Naast deze tekés-rembétika was er een andere traditie van belang voor de ontwikkeling van het genre: de rembétika van de café-amáns, bekend als Smyrneïsche traditie (naar Smyrna, het huidige Izmir, waar een grote Griekse gemeenschap leefde). Hierin speelden viool en accordeon een grote rol en de groepen speelden op een ‘professioneler' niveau. Op een gegeven moment gingen deze ‘Smyrneïsche'kompanía's ook tekés-liederen spelen. De eerste plaatopnamen van rembétika waren deze uitvoeringen. Vandaar dat de rembétika tot 1933 uitsluitend uit de Smyrneïsche traditie zijn overgeleverd.
Was men in Griekenland wel enigszins bekend met de Smyrneïsche traditie, na de Kleinaziatische Catastrofe en de daarop volgende bevolkingsuitwisseling (etnische zuivering), veranderde dit doordat ook veel muzikanten meekwamen. Grote aantallen vluchtelingen kwamen terecht in sloppenwijken rond de grote steden. Zo ontstond er een verbinding tussen de al bestaande zelfkant en de nieuwe paupers, waar in de beginjaren de Smyrneïsche traditie overheerste. Bekende vertegenwoordigers van deze periode zijn de zangeressen Roza Eskenázy en Rita Abatzí en de zangers Andónis Dalkás, Stellákis Perpiniádis en Kóstas Roúkounas.
Piraeus-stijl
Pas in 1932 drong de bouzoúki via een plaatopname tot het grote publiek door en werd gelijk populair. Het betrof een opname uit Amerika, het land waarheen decennia eerder veel Grieken geëmigreerd waren. Dit succes bracht de platenmaatschappijen in Griekenland op het idee om ook eens in eigen land op zoek te gaan naar muzikale talenten. Men kwam terecht bij Márkos Vamvakáris uit Piraeus, een representant bij uitstek van het tekés-wereldje. Zijn eerste plaat sloeg zo aan, dat hij in 1934 een bouzoúki-kompanía oprichtte en daarmee begon op te treden in een ‘bouzoúki-taverna'. Beide waren geheel nieuwe verschijnselen. Al na korte tijd werd de ‘Smyrneïsche' stijl overvleugeld door de ‘Piraeus-stijl' van Vamvakáris en andere bouzoúki-grootheden als Strátos Payoumtzís, Anestís Deliás, Yórgos Bátis, Stélios Keromítis, Michális Yenítsaris (nog steeds actief), Yánnis Pappaioánnou. Na de Tweede Wereldoorlog was de rol van de Smyrneïsche traditie grotendeels uitgespeeld.
Van rembétika naar laïká
Aan het eind van de jaren dertig diende zich een andere ‘grootheid' aan: Vasílis Tsitsánis.
Hij zou vooral in de veertiger jaren een grote invloed uitoefenen in verbreden van het ‘rembétika'-genre en in verbreiding onder een groter publiek. Dit werd deels bevorderd door de censuur van de Metaxás-dictatuur na 1936, die het moeilijker maakte om in het openbaar over hasjiesj en vaderland (in kritische zin) te zingen. Deze ontwikkeling zette zich na de oorlog voort en de doorbraak naar het grote publiek vond plaats. Vele liederen verwierven een ongekende populariteit en tot op de dag van vandaag zingen vele Grieken deze liederen met veel overgave.
Revival
Omstreeks 1970 komt er een rembétika-revival op gang: nog levende bouzoukigrootheden uit de jaren dertig/veertig, waarvan men vaak jarenlang niets meer gehoord had, worden weer gevraagd te spelen. |